|
Oho,
als Erasmus er nog zó uitzag, zou hij meteen een vrouw kunnen vinden'
[Erasmus over dit portret van hemzelf, getekend door Holbein]
'Ik wijk voor niemand'
De stijl van Desiderius Erasmus
De hemel stond te koop. Tegen betaling kon je
een verblijfsvergunning krijgen voor het hiernamaals, en dus tastte
men diep in de buidel. De kloof tussen rijk en arm werd steeds groter:
'De kerk heeft gouden vaten, terwijl de arme sterft in de straten',
dichtte Jacob van Maerlant. Rome was zo corrupt dat de geestelijken
hun geloofwaardigheid verloren. De ellende werd nog groter toen de Fransen
in 1378 een eigen paus installeerden in Avignon. In 1409 waren er zelfs
even drie pausen. Nederlanders zagen het verval met lede ogen aan. Ze
waren godvrezend. Niemand riep om een revolutie, niemand durfde te tornen
aan de macht van de kerk. Men hoopte op betere tijden. Alleen de monniken
uit Zwolle en Deventer roerde zich. Ze besloten uit de kerk te stappen.
Eigenlijk waren deze geestelijken, die bekend staan als 'moderne devoten',
roomser dan de drie pausen bij elkaar. Ze lazen driftig in bijbel en
vreesden God, maar hadden meer dan genoeg van de zo vaak met voeten
getreden regeltjes van Rome. Het kwam er niet op aan te gehoorzamen
aan vage, dubieuze geboden van priesters, het ging erom deugdzaam te
leven - sober, solidair, bijbelvast. In de 'fraterhuizen' die deze moderne
devoten oprichtten, heerste de zelfverkozen armoede. Bezit was er gemeenschappelijk
en alles wat men niet echt nodig had, werd verkocht. Een soort communes
dus, waarvan de leden hun best deden om de door Christus vertolkte idealen
zo goed mogelijk na te leven.
Hoe dat moest, beschreef Thomas à Kempis (ca. 1379-1471), misschien
wel de beroemdste moderne devoot, in zijn bestseller De Navolging van
Christus. Dat boek heeft eeuwenlang oplages gehaald waar menig gevierd
auteur nu alleen nog van durft te dromen. Het leven zelf Thomas à Kempis
is vereeuwigd in de gevel van het eeuwenoude gebouw van de Lebuïnusschool
in Deventer, opgericht door filosoof Nicolaas van Kues, oftwel Cusanus
(1401-1464). Net als Geert Groote, Alexander Hegius en Paus Adrianus
VI. Maar het grootste portret in de gevel is dat van Desiderius Erasmus
(1466-1536), de renaissancehumanist van Europa. Boven zijn hoofd staat
de kreet 'Non scholae sed vitae discimus'. Het is een leus van de Romein
Seneca en kan worden vertaald als: 'niet omdat de school het wil, maar
omdat het leven erom vraagt'. Het was een van Erasmus' lievelingscitaten
en geeft een aardig beeld van het onderwijs zoals dat in Deventer werd
gegeven: geen droge lesstof, geen eindeloze theologische disputen of
wijsgerige haarkloverijen, nee: het leven zelf. Je moest er zelfstandig
leren meten, weten, schrijven en denken.
Erasmus zat van 1478 tot 1484 in de schoolbanken. Er ging een wereld
voor hem open, want in Deventer had men gebroken met de Middeleeuwen.
De docenten hadden er voorzichtig afstand genomen van leerstellingen
uit Rome. Op deze school leerde men om de opgelegde moraal te beoordelen
en de goede kanten ervan te verinnerlijken. Zo moest dogma worden omgevormd
tot persoonlijke deugd. Volgens de leraren was dat geheel in lijn van
het oorspronkelijke christendom, want: was Jezus iemand van regeltjes?
Nee natuurlijk, hij probeerde goed te leven, hij wilde een voorbeeld
zijn. Daar had hij geen dogma of kerkelijk leger voor nodig. Erasmus
was de eerste schrijver in Europa die van de pen kon leven.
De docenten op de Lebuïnusschool streefden een religieuze Renaissance
na, een hergeboorte van het oorspronkelijke, niet door kerkelijke autoriteit
bezoedelde geloof; een geloof zoals Christus het bedoelde en zoals wij
het allemaal persoonlijk zouden kunnen naleven. Het drukte een stempel
op Erasmus. Maar nog groter zou de invloed zijn van de minder vrome
variant van deze Renaissance die in die dagen in Italië ontstond. Ook
daar heerste nostalgie naar de tijd dat de kerk nog zuiver was. Maar
toen men zich daar in het verleden ging verdiepen, stuitte men op allerlei
onbekende teksten die door de kerk lange tijd als 'heidens' terzijde
waren geschoven; oude Griekse en Romeinse geschriften, onbekende werken
van Aristoteles, maar ook van de Romeinse satiredichter Lucianus.
Rudolphus Agricola (1444-1485), een moderne devoot uit het Groningse
Baflo en groot inspirator van Erasmus, trok naar Italië, om daar orgelconcerten
te geven. Hij bracht de Italiaanse Renaissance in zijn knapzak mee naar
het hoge Noorden. Zijn bekendste werk, De inventione dialectica, bevatte
een directe aanval op het onderwijs van de kerkelijke scholen. Eeuwenlang
hadden scholastici de logica van Aristoteles gevolgd. Aristoteles stelde
dat een zinnige uitspraak 'waar' of 'onwaar' is, een resultaat dat zou
volgen uit de aannames. Uit de aannames 'Alle mensen zijn sterfelijk'
en 'Socrates is een mens' volgde bijvoorbeeld de ware conclusie 'Socrates
is sterfelijk'. Geen speld tussen te krijgen. Maar de kerk had in de
loop der eeuwen allerlei 'ware aannames' in de vorm van dogma's vastgelegd.
En omdat filosofie in die tijd geacht werd om 'dienstmaagd van de theologie'
te zijn, hielden filosofen zich vrijwel uitsluitend bezig met de vraag
wat er uit de aannames af te leiden was. Ze hadden nauwelijks oog voor
de werkelijkheid. Agricola wilde verder kijken dan de kerktoren of zijn
boekenkast hoog was. Er moest ook onderzoek worden gedaan naar de aard
van de dingen. Aannames moesten ter discussie staan. 'Verwerp alles'
Eén keer kwam Agricola naar de school in Deventer. Erasmus volgde de
openbare les en beschreef het later als een hoogtepunt in zijn leven.
Hier sprak de nieuwe tijdgeest, hier stond de Renaissance zelf. Hier
hoorde hij zinnen als: 'Zorg ervoor dat je wantrouwig staat tegenover
alles wat je tot nu toe geleerd hebt. Verwerp alles, ga ervan uit dat
je alles moet afleren, tenzij je het op gezag en als het ware bij decreet
van de betere auteurs jezelf weer eigen kunt maken.'
Aan Agricola - 'dat goddelijke intellect' - ontleende Erasmus de term
die hij aan zijn totale werk meegaf: Philosophia Christi. 'Deze wijsheid
of philosophia is eerder te vinden in wilsovertuiging dan in syllogismen,'
aldus Erasmus. 'Zij is eerder een manier van leven dan een redetwist,
meer een ingeving dan een kennis, meer een verandering dan een redenering.
Zij vindt gemakkelijk aanknopingspunten in de natuur, want de Philosophia
Christi is niets anders dan een nieuwe geboorte, het herstel van een
natuur die goed geschapen is.' Hoewel hijzelf de kerk nooit de rug toe
zou keren, geloofde hij niet dat theologen nodig waren om het geloof
zuiver te houden. Goed taalonderwijs, zodat iedereen zelf de bijbel
zou kunnen lezen, voldeed. In zijn Enchiridion (Handboekje voor de Christenstrijder)
legde Erasmus zijn standpunten over kerk en bijbel nog eens uit: 'Het
is verkeerd om als kinderen vast te houden aan de letter en niet op
te groeien tot de vrijheid van de geest.' De boodschap sloeg aan. Erasmus
was de eerste schrijver in Europa die van de pen kon leven. Lezen, schrijven,
discussiëren en een goed glas rode wijn.
Door zijn opvattingen over de bijbel voelde Erasmus, die een opleiding
tot monnik volgde, zich steeds minder thuis in het klooster. Hij vroeg
en kreeg ontslag van zijn kloostergelofte. Erasmus had talent voor talen.
Een bisschop benoemde hem om die reden tot zijn persoonlijk secretaris,
zodat hij de benodigde Latijnse brieven kon schrijven. De carrière van
Erasmus bleek daarna niet meer te stuiten. In 1520 vergezelde hij Karel
V bij vredesonderhandelingen in Calais. Hij raakte betrokken bij de
opvoeding van prinsen en kreeg met enige regelmatig banen aan hoven
aangeboden. Maar hij verkoos de stilte van de studeerkamer. Erasmus
zag zichzelf in de eerste plaats als 'studiemens'. Hij hield van lezen,
schrijven, discussiëren en een goed glas rode wijn. Hij besloot de bijbel
opnieuw te vertalen. Een gewaagde onderneming. Tot op dat moment gebruikte
men de Vulgaat, een bijbelvertaling die door de kerkvader Hiëronymus
(345-420) was uitgebracht en een millennium lang door de kerk als heilig
was beschouwd. Er stonden fouten in, constateerde Erasmus. Priesters
debiteerden al eeuwen onjuistheden van het preekgestoelte. En fouten,
dat kon niet goed wezen. Hij maakte een tweetalige bijbel, het Novum
Instrumentum. Naast zijn Latijnse vertaling stond de oudere Griekse
tekst. Het geldt als een pronkstukje van de Renaissance, juist vanwege
de mogelijkheid om de vertaling nog eens kritisch te toetsen. Slapende
honden Het bracht hem uiteraard in conflict met de kerk. Erasmus schuwde
het conflict niet. Dat blijkt ook uit zijn boek over paus Julius, de
man die afvallige steden platbrandde en zich op zegewagens door de ruïnes
liet dragen. De titel zegt alles: Julius komt de hemel niet in.
Wie vrijheid van geest verdedigt tegen het juntaregime van een corrupte
kerk met zijn verstarde regelethiek, is niet uit op het ontwikkelen
van een waterdicht filosofisch stelsel. Met -ismen had Erasmus bovendien
slechte ervaringen: 'Je vindt sneller de weg uit een doolhof, dan uit
de ingewikkeldheden van de realisten, nominalisten, thomisten, albertisten,
occamisten en scotisten'. Het ging hem eerder om eruditie, om oprechtheid,
om deugdzaamheid en, niet te vergeten, lol. De herontdekte satires van
Lucianus waren om je te bescheuren.
Hij besloot ook zo'n luchtige toon te herintroduceren in de filosofie.
Het resulteerde in de Lof der zotheid. Hij schreef dit boek naar
verluidt tijdens een weekje logeren bij de Engelse utopist Thomas More
(1478-1535). Alles en iedereen wordt in dit satirische werkje op de
hak genomen: het gewone volk, stoffige geleerden, bestuurders, wijze
denkers. Iedereen krijgt er van langs, behalve de theologen, want 'het
is beter maar geen slapende honden wakker te maken en niet in die beerput
te roeren. Want dat is me toch een lichtgeraakt, driftig stelletje mensen.
Ze konden wel eens te hoop lopen en met een stortvloed van slechte argumenten
trachten mij te dwingen een toontje lager te zingen om mij, als ik dat
weiger, meteen voor ketter uit te maken.' Maarten Luther was zo'n zeurpiet.
Die man was volgens Erasmus zo recht in zijn eigen leer dat hij een
gevaar voor de samenleving vormde. Hij deed zich voor als vernieuwer,
maar hield intussen wel vast aan de dodelijke ernst die de Middeleeuwen
naar verluidt zo duister hadden gemaakt.
Luther spijkerde zijn stellingen vast en zeker aan de deur van zijn
kerk. Erasmus probeerde zijn spijkertjes met een paar vragen los te
wrikken. Weet Luther wel zeker dat de vrije wil niet bestaat? En staat
het wel onomstotelijk vast dat kerkbeelden een verderfelijke invloed
hebben? En natuurlijk, meneer Luther, de kerk is corrupt, maar dat is
toch geen reden om het rijke roomse leven af te zweren? Het hielp niet.
Luther stelde publiekelijk dat Erasmus 'geplet moest worden als een
wandluis' omdat hij de regels van de waarheid weigerde te formuleren:
'Erasmus is een aal, alleen God kan hem te pakken krijgen'. Erasmus
sloeg terug met een dodelijke kwinkslag: 'Werkelijk, ik zou u een ander
karakter toewensen, als ik niet wist dat u al zo buitengewoon ingenomen
bent met dat wat u hebt.' Erasmus wilde geen ernst, maar eruditie, cultuur,
beschaving. Het streven daarnaar is per definitie olijk en zot, omdat
het gecultiveerde zaken zijn. Niemand wordt erudiet geboren. Van nature
denken we lomp en grillig. Bedenksels, maniertjes en mooie woorden liggen
ten grondslag aan onze beschaving. Cultuur is dus één groot gemaskerd
bal. 'Wie dit alles meer dan belachelijk vindt,' schreef hij, 'moet
overwegen wat verstandiger is: zich met het dwaze leven te verzoenen,
of een balk te zoeken om zich aan op te hangen.'
Het was wat boud gezegd, maar zijn boodschap is duidelijk. We kunnen
niet zonder die kunstmatige laag die we aan de werkelijkheid toevoegen.
En waar die kunstmatige cultuur toe leidt? Erasmus wist het niet. Hij
had geen doel voor ogen en ontwikkelde geen blauwdruk voor een ideale
samenleving. Hij wilde juist af van dat soort rigiditeiten, omdat ze
gepaard gingen met onoprechtheid, oorlogszucht, corruptie, verstarring
en meer van dat soort zaken. Met goed onderwijs, een beetje kritisch
vermogen en een gezonde portie humor kwam je verder. Hij beëindigt zijn
Lof der zotheid dan ook met: 'Ik zie dat u nog een epiloog verwacht,
maar u bent werkelijk niet goed wijs als u denkt dat ik me na die stortvloed
van woorden nog herinner wat ik allemaal gezegd heb. Het oorspronkelijke
gezegde luidde: "Ik haat een drinkmaatje met een goed geheugen" Ik voeg
daar een nieuwe aan toe: "Ik haat een toehoorder met een goed geheugen".
Daarom: ik wens u het beste, klap maar in uw handen, leef en drink er
vrolijk op los, vermaarde toehoorders, u bent nu in de zotheid ingewijd.'
Rotterdam
Erasmus:
'Ik ben in Rotterdam geboren. Mijn moeder was de dochter van een arts
uit Zevenbergen. Ze had een geheime verhouding met mijn vader maar hoopte
ooit met hem te trouwen. Hij was de op een na jongste van tien broers.
Besloten werd dat mijn vader zich maar aan God moest wijden. Je kent
de opvattingen van oude mensen op dit punt. Toen mijn vader begreep
dat het huwelijk er niet in zat, ondernam hij iets wat veel vertwijfelden
doen: hij brandde door, vluchtte en schreef onderweg een brief aan mijn
moeder, met één hand op zijn hart en twee in het haar: "Leef wel, ik
zal je nooit meer weerzien."' De kleine Erasmus werd in de wieg de stad
uitgevoerd en is er nooit weergekeerd. Het mozaiek bij de VVV waarop
te zien hoe Erasmus te paard de stad verlaat, berust op een misverstand.
Bij de Laurenskerk staat verder standbeeld van Erasmus, in 1622 speciaal
in onverwoestbaar brons uitgevoerd om vandalisme en ander geweld te
kunnen weerstaan. In Rotterdam was men aanvankelijk niet zo trots op
de grote denker. Men had eerder houten en stenen versies van het standbeeld
kapotgeslagen. Inmiddels zijn de Rotterdammers wel trots op de grote
humanist. Ter ere van de opening van 'Rotterdam Culturele Hoofdstad',
wordt Erasmus' Lof der zotheid door hedendaagse schrijvers gememoreerd.
Erasmus zelf zou er minzaam om glimlachen. Hij schreef ooit in een brief:
'Het blijkt dat het weinig uitmaakt waar iemand precies is geboren.
Ik denk dat het een ijdele vorm van zelfverheerlijking is wanneer een
stad er prat op gaat een groot mens te hebben voortgebracht'. '
Gouda
Erasmus kreeg een deel van zijn opleiding
in het klooster van Steyn, niet ver van Gouda. In het stadhuis van Gouda
is om die reden een gebrandschilderd raam aangebracht dat aan Erasmus
is gewijd. In het midden staat zijn levensmotto, 'Concedo nulli'. Het
betekent: ik wijk voor niemand. De kreet sloeg niet op Erasmus, die
overigens ook aardig voet bij stuk kon houden als dat nodig was, maar
op de dood. Alleen de dood wijkt voor niemand, stelde Erasmus. Vandaar
dat boven het 'Concedo nulli' een portret van de God Terminus (het einde)
is te zien.
Antwerpen
Stadsgriffier Pieter Gillis (1486-1533)
had de gewoonte om grote geesten als More, Erasmus en Dürer in zijn
monumentale huis Den Spieghel op de Grote Markt te ontvangen. Tijdens
een vriendenfeestje in 1509 in Gilles' huis ontmoette Thomas More de
Rotterdamse humanist Desiderius Erasmus. De twee hadden elkaar in Engeland
al leren kennen en sindsdien sprak Erasmus zijn Engelse vriend aan als
Thomas Moros. Dat Griekse woord laat zich vertalen als 'zotheid'. Erasmus
werkte het grapje uit in zijn Lof der zotheid, een aan More opgedragen
satire. Brussel/Anderlecht In de Kapittelstraat (Rue du Chapitre) 31,
in de Brusselse wijk Anderlecht, ligt het fraaie Erasmushuis uit 1511.
Europa's meest beroemde humanist, Desiderius Erasmus van Rotterdam,
verbleef hier tussen mei en oktober 1521 in het huis van de kanunnik
Pieter Wychman. Hij schreef er 22 brieven. Sinds 1930 is het Erasmushuis
een museum (open: ma., wo., do., za., zo. 10.00-12.00 en 14.00-17.00
uur). In de collectie bevinden zich bijzondere Erasmus-uitgaven en tientallen
portretten van de humanist van de hand van Hans Holbein, Albrecht Dürer
en Quinten Matsys. Ook 'De aanbidding van de Wijzen' van Jeroen Bosch
is hier te zien. Erasmus woonde in het huis nadat hij in 1521 was gevlucht
voor het intolerante klimaat in Leuven.
Dit artikel werd eerder gepubliceerd in Filosofie
Magazine.
Naam: Gerrit Gerritsen.
Pseudoniem: Desiderius Erasmus van Rotterdam
Geboortedatum: 27-10-1469 te Rotterdam
Sterfdatum: 12-7-1536 te Basel
Opleiding: Zat op de kloosterscholen van
Gouda, Deventer, Den Bosch. Later volgden studies in Parijs, Leuven
en Turijn. Geïnspireerd door: Rudolf Agricola, de Groningse orgelspelende
monnik. Ook beïnvloed door vrienden Thomas More en John Colet.
Invloed op: Vrijwel iedereen die na hem
kwam. Vooral zijn schrijfstijl maakte indruk.
Hoofdwerken: Adagia (1500) Handboekje
voor de christenstrijder (1503), Lof der zotheid (1511),
De opvoeding van een christenprins (1516), Samenspraken
(1518), Over de vrijheid van de wil (1524)
Thema's: Erasmus was een van de belangrijkste
humanisten van de Renaissance. Zo verdedigde hij in Over de vrijheid
van de wil de morele vrijheid van het individu. In De lof der zotheid
nam hij de politieke en religieuze instituties van zijn tijd op de hak.
Bekende uitspraken: 'De dieren die het
minst op de mens lijken zijn het gelukkigst.' 'Zoet is de oorlog voor
wie hem niet kennen.'
Opmerkelijk: Hij schreef in zijn jeugd liefdesbrieven aan monnik Servatius,
maar bezigde naar eigen zeggen nooit de liefde. Hij stierf desondanks
aan syfilis. Aan Luther: 'Werkelijk, ik zou u een ander karakter toewensen,
als ik niet wist dat u al zo buitengewoon ingenomen bent met dat wat
u hebt.'
|