|
Geschiedenis van de
filosofie in de Lage Landen
De
Middeleeuwen.
Van Patristiek tot Moderne Devotie
(600-1450)
© Erno
Eskens
De patristiek, de eerste periode van de Middeleeuwen,
leunde zwaar op het werk van de kerkvaders. Van deze patres (vaders)
was Aurelius Augustinus (354-430) de meest invloedrijke. Hij bedacht
de heilige drieëenheid (vader, zoon, heilige geest), de genadeleer (God
vergeeft ook schurken) en de zondeval (het komt nooit meer goed met
ons). Daarmee gaf Augustinus het christendom, dat hij in zijn jeugd
had afgedaan als 'een oude-vrouwensprookje', definitief vorm. In zijn
zeer persoonlijke getinte Confessiones - hij geeft toe vrijwel
alle vleselijke zonden begaan te hebben - staat hij uitgebreid stil
bij de rol die de zintuigen en het geheugen spelen bij het vaststellen
van de waarheid. De meeste dingen leren we via de zintuigen, betoogt
Augustinus. Maar abstracte begrippen leren we op een andere manier begrijpen.
Wiskundige formules kun je bijvoorbeeld als correct ervaren, ook al
heb je zo nooit eerder gezien of gehoord. Je herkent ze op de een of
ander manier, onafhankelijk van je zintuigen. Maar hoe kun je dingen
herkennen zonder ze ooit via de zintuigen in je hersenen te hebben gehaald.
'Ze waren er dus al; ook voordat ik ze leerde kennen.'(191)
De kerkvaders onderscheidden zeven wetenschappen of vrije kunsten die
het enige echte vak, de theologie, versterkten. De basale vakken - grammatica,
retorica en logica - deelden zij in binnen het zogenaamde 'trivium'.
Het quadrivium bevatte de hogere vakken: rekenkunde, meetkunde, astronomie
en muziek. Deze indeling zou tot het eind van de Middeleeuwen de organisatie
van de universitaire wereld bepalen.(52) Ierse monniken,
die goed thuis waren in het werk van Augustinus, besloten rond 600 om
het vaste land, waar het geloof in de Germaanse plattelandsgoden na
de val van het West-Romeinse rijk was terugekeerd, opnieuw te bekeren.
Wilfridus (634-709) belandde door een storm in 678 op de kust van Friesland
en Willebrordus (658-739) stichtte in 695 een klooster in Utrecht. Zij
importeerden kostbare boeken die in het afgelegen Ierland bewaard waren
gebleven. Nederland en Vlaanderen kwam opnieuw in aanraking met mensen
die konden lezen, schrijven en ook denken. Vaak hadden de Ierse monniken
een gedegen filosofische training achter de rug. In Parijs kreeg de
Ierse monnik Alcuinus (735-804) de kans les te geven aan Karel de Grote,
een analfabeet die voor zijn privé-onderwijs een paleisschool in het
leven riep. Karel de Grote leerde met grote moeite de bijbel te lezen.
Of hij het Organon van de oude Griek Aristoteles (384-322 v.
Chr.) dat hij ontving als geschenk uit Constantinopel (het huidige Istanbul),
ooit op eigen kracht heeft doorgeploeterd is onwaarschijnlijk. Maar
feit is dat vanuit zijn hof de filosofie van Augustinus over een groot
deel van West-Europa werd verspreid.(33) Na Alcuinus leidde
Johannes Scottus Eriugena (810-), de eerste full-proof filosoof van
Noordelijk Europa, de Parijse paleisschool. Hij stelde: 'Elke autoriteit
die niet door gezond verstand wordt bekrachtigd lijkt zwak, terwijl
de rede niet bekrachtigd hoeft te worden door welke autoriteit dan ook.'
En Eriugena was een echte grappenmaker. Over de aartsbisschop van Reims
dichtte hij: In zijn leven is hij de hebzucht zelf geweest. Eenmaal
heeft hij iets gegeven (dat was mooi van hem): de geest. Leerlingen
konden niet erg uit de voeten met hun erudiete leraar. De legende wil
dat ze hem met ganzenveren hebben doodgestoken. Hoe het ook zij, uit
de paleisschool van Karel de Grote kwam de roemruchte Parijse universiteit
voort, die een grote invloed op de cultuur in de Lage Landen uitoefende.(169)
Scholastiek
Filosofie in de Middeleeuwen
was voornamelijk een zaak van kloosters en geestelijken. De kloosterlingen
schreven de klassieke geschriften over en voegden er af en toe een eigen
bespiegeling aan toe, meestal in de vorm van een commentaar. Ook de
filosofisch ingestelde monikken liepen voor een belangrijk deel aan
de leiband van de kerk. De kerk wilde dat zo, en veel verzet was er
niet. Waar dat wel de kop op stak - soms kreeg een monnik de geest -
klonken de bezwerende woorden van de machtige Petrus Damiani (1007-1072):
Philosophia ancilla Theologiae (Filosofie is de dienstmaagd van
de theologie). De denkers mochten de paden naar de hemel plaveien met
hun strenge logica, maar moesten accepteren dat zij vervolgens onder
de voet werden gelopen door theologen, die van nature nu eenmaal meer
haast hebben om de hemelpoort te bereiken. De theologen kenden de bijbel,
de bijbel was Gods woord, God was boven de rede verheven en dus mochten
filosofen niet al te lastige vragen stellen. Zelfs als het geloof volstrekt
onzinnig leek en bijvoorbeeld in strijd was met het door Aristoteles
bedachte non-contradictieprincipe - je kunt niet bij vol verstand beweren
dat iets tegelijkertijd waar en onwaar is - accepteerde de kerk geen
kritiek.(143)
Vooral naar buiten toe was de kerk streng. Binnen de muren van de kloosters
werd aan het dienstmaagdengebod niet altijd even strikt gehoor gegeven.
Buiten het zicht van het gewone volk voerden de geestelijken ruige discussies,
oogluikend toegestaan door de kerkleiding die ook belang had bij intellectuele
vooruitgang. De resultaten zijn in de marges van de vrome geschriften
terug te vinden. Op de paar centimeters in de kantlijn vocht men de
strijd uit tussen de theologie en de 'dialectiek', wat wij tegenwoordig
filosofie noemen.(28) Deze strijd markeerde het begin van
de Scholastiek, een periode die rond 800 na Christus begon en ergens
rond 1450 eindigde. De rationele ideeën van de Griekse filosoof en natuurwetenschapper
Aristoteles, die in het Oosten de toon zetten en via het hof van Karel
de Grote waren verspreid, werden in deze periode langzamerhand invloedrijker
dan die van Augustinus. In de Lage Landen was lange tijd alleen het
Organon bekend, maar via de joodse gemeenschap in Spanje kwamen
steeds meer onbekende geschriften van Aristoteles naar de Lage Landen.(33)
De bestaande vertalingen van de Aristoteles werden aangevuld met die
van Willem van Moerbeke (1215-1286), die zijn werk in opdracht van de
filosoof Thomas van Aquino (1225-1272) verrichtte.(52) Filosofen
schreven pittige en polemische commentaren in de kantlijn van Aristoteles,
die bij hen zo geliefd was dat men hem kortweg 'de filosoof' noemde.
Ook de Arabische commentaren op Aristoteles kwamen in de schijnwerpers
te staan. Want alles wat uit het Oosten kwam, had een streepje voor.
Bagdad had rond 1100 geplaveide straten en waterleiding. Amsterdam en
Brussel waren nog onhygiënische modderpoelen. Arabieren kenden de beweging
van de sterren en konden op zee navigeren en waren bovendien handig
met cijfers, wat internationale handel mogelijk maakte. In de Lage Landen
stelde de economie niet veel voor en deden ziektes en honger de noodzakelijke
bevolkingsgroei teniet. Dogmas, epidemieën en aanhoudend analfabetisme
zorgden ervoor dat het Westen onderontwikkeld bleef . Vooruitstrevende
intellectuelen keken met belangstelling naar het Oosten.(52)
In Parijs timmerde de Nederlander Siger van Brabant (1240-1281) aan
de weg. Hij ontdekte dat Arabier Averroës (1126-1198) in zijn commentaren
op Aristoteles aardige dingen had gezegd, bijvoorbeeld dat de aarde
niet was geschapen, maar altijd al had bestaan. En dat de menselijke
ziel sterfelijk was. Het bracht Siger in conflict met Thomas van Aquino
(1225-1368), de meest invloedrijke filosoof uit de Scholastiek. Siger
kreeg bijval van Dante Alighieri (1265-1321), die hem in zijn Divina
comedia het eeuwig stralend licht noemt.(54)
Thomas van Aquino schreef een boek De unitate intellectus contra
magistrum Sigerum(170) en kreeg steun van de machtige
kerk die hem in 1332 postuum heilig verklaarde. Siger werd het zwijgen
opgelegd. De nieuwe pauselijke universiteit van Parijs, de uit haar
voegen gegroeide paleisschool van Karel de Grote, en de universiteiten
van Luik en Keulen ontpopten zich tot de grote culturele centra van
Europa. Vooral in Parijs rommelde het. Op 7 juli 1228 deed paus Gregorius
IX zijn beklag: de theologen van Parijs kwamen veel te veel onder invloed
van die al te vrije voorchristelijke geschriften van Aristoteles. Filosofie
is allemaal leuk en aardig, schreef hij, maar wanneer men de geloofswaarheden
met de rede en de filosofie wil ondersteunen, maakt men ze ijdel en
nutteloos.(52) De paus koos partij voor de kerkvader
en gevoelsmens Augustinus, die alle wetenschappen bij voorbaat ondergeschikt
had gemaakt aan het geloof. De filosofen bleven echter bij hun keuze
voor de strenge, aardse logica van de filosoof, waarmee
zij het geloof hoopten te ondersteunen. In 1277 leidde dit tot een heftige
strijd.(52)
De kerk won het pleit. Enkele filosofen werden verketterd en in 1280
kregen theologen het expliciete verbod zich nog verder in te laten met
die verderfelijke filosofie.(52) De bloei van het vrije denken
was bruut onderdrukt. De filosofen drukten hun snor en verplaatsten
noodgedwongen hun aandacht van de inhoud naar de vorm van de discussie.
Gaandeweg werden de meest onbeduidende kwesties tot voorwerp van
gedachtewisseling gemaakt, meldt Neerlands bekendste geschiedschrijver
op filosofiegebied, Ferdinand Sassen, enkel met de bedoeling het
vernunft te scherpen en de techniek van het dispuut door herhaalde oefening
aan te leren. De middeleeuwse quaestio disputata was verworden
tot een schoolse - het woord scholastiek is hiervan afgeleid - methode
zonder inhoud. Ieder probleem, relevant of niet, bediscussieerden de
geleerden in vijf stappen: eerst schetste men het probleem, vervolgens
kwamen de argumenten van anonieme - we willen geen openlijke ruzie -
tegenstanders aan de orde. Dan volgde het argument van de auteur, waarna
het probleem werd opgelost. De vijfde stap was een terugblik op de argumenten
van de tegenstanders, die een voor een werden weerlegd. De methode was
verfijnd, jammer alleen dat de discussies nooit over echt belangrijke
onderwerpen gingen.(79) Terwijl de filosofie in academisme
verviel, raakte de kerk verwikkeld in intriges. In 1378 waren er twee
pausen, in 1409 drie, en allen claimden the one and only te zijn.(80)
Het spelletje 'Wie van de drie' eindigde voor Fransen in een keuze voor
de paus in Avignon. Wie een ander bordje op de schoot had en Avignon
niet volgde, kon maar beter het land verlaten. De rector van de Parijse
universiteit, de Nederlandse logicus Marsilius van Inghen (ca. 1335-1396),
trok weg naar Heidelberg, waar in 1386 een universiteit werd gesticht.
De filosofen van de Lage Landen hadden voortaan de keuze tussen de universiteiten
van Parijs of Heidelberg en Keulen, in 1388 opgericht. Grote delen van
de noordelijke Nederlanden ressorteerden onder het bisdom Keulen en
dus was het logisch dat de laaglanders gingen studeren. Uit Keulen waaide
een frisse wind. De filosofen probeerden er de via moderni -
de nieuwe weg - te bewandelen. Deze moderne jongens stonden onder invloed
van de Engelsman William van Ockham (ca. 1285-1349). Ockham beweerde
dat algemene begrippen - bijvoorbeeld mensheid - verzinsels
van de geest waren en niet in de werkelijkheid konden worden aangetoond.
Als je wilt weten wat zich in de werkelijkheid afspeelt, kun je maar
beter naar de individuele zaken - de afzonderlijke mensen - kijken,
volgens Ockham. Je moet de zijnden niet onnodig vermeerderen,
was zijn motto. Hij stelde voor overbodige metafysische begrippen weg
te snijden. Zijn methode daarvoor, nu bekend als mes van Ockham,
trof vooral vage christelijke termen.(80) De Vlaming Jean
Buridan (ca. 1292-1360) - geboren op de taalgrens in het nu Franse plaatsje
Béthune - ontpopte zich tot leider van het ockhamisme.(132)
Hij bewees op majestueuze wijze dat de wereld misschien voor een groot
deel deterministisch in elkaar zit, maar dat de mens vrij is. De mens
heeft namelijk, in tegenstelling tot bijvoorbeeld een ezel, de mogelijkheid
om zijn wensen kritisch te onderzoeken. Een legende vertelt dat Buridan
lesgaf over een ezel die stierf van de honger toen hij moest kiezen
tussen twee gelijke hooibalen. Zoiets zou de mens niet overkomen, zou
Buridan hebben gezegd. De menselijk wil wordt namelijk niet alleen bepaald
door omgevingsfactoren. De mens heeft een zekere vrijheid, omdat hij
zijn keuze mogelijkheden voor kan leggen aan de rede. Een mens is dus
geen weerloze slaaf van de wil of het lot.(55) Buridan stierf
aan de pest die vanaf 1347 in golven door Europa trok en waarbij een
kwart van de bevolking het loodje legde. Maar rond 1400 waren zijn ideeën
al tot ver in Oost-Europa doorgedrongen.(55) Terwijl Heidelberg, Keulen
en zelfs Parijs onder Buridans invloed op de moderne toer gingen, besloten
aanhangers van de via antiqua een eigen universiteit op te richten
voor het Vlaamse en Nederlandse publiek. Dat gebeurde in 1425 te Leuven.
Het was de eerste Alma Mater van de Lage Landen.(10) Op het
lesrooster stonden toen, net als nu, veel werken van Thomas van Aquino
en de inmiddels steeds meer geaccepteerde Aristoteles. Twee jaar na
de oprichting kregen de docenten officieel de opdracht om nooit iets
van die moderne jongens als Marsilius van Inghen, Buridan of Ockham
te onderwijzen.(132)
Moderne devotie
De Duitsers Meister Eckhart en Tauler, de Engelsman
Wyclif en de Tjech Jan Hus (-1415) merkten dat het geloof zowel in de
gangbare via antiqua als in de nieuwe via moderni gevaar
liep. De via antiqua dreigde dood te lopen in academisch
geharrewar en kerkelijke corruptie. In de sterk rationele via moderni
dreigde God met het mes van Ockham te worden weggesneden. Bovendien
hadden die moderne jongens weinig oog voor de godsbeleving. Het was
tijd voor een alternatief: een nieuwe vorm van mystiek waarin de persoonlijke
omgang met God, het eenvoudig leven en het wonder centraal stonden.
De Brusselaar Jan van Ruusbroec (1293-1381), een van de nieuwe mystici,
stichtte een sobere kloosterorde buiten de stad. Hij zocht rust in de
natuur en in het innerlijk. In die zin was hij een vernieuwer, maar
hij bleef geloven in het realisme dat zo typerend was voor
de via antiqua. Dat realisme stelde dat (metafysische) begrippen
wel degelijk een basis hebben in een hogere wereld. Het goede is goed
omdat het deel heeft aan de goddelijke idee van goedheid, ergens ver
in een hogere sfeer. Ruusbroec was daarmee een tussenfiguur, nog half
gevangen in de metafysica van het verleden, maar met een voet in de
toekomst. Zijn mystiek inspireerde een nieuwe, typisch Nederlandse beweging:
de moderne devotie.
De moderne devotie bloeide op in de IJsselvallei rond figuren als
Geert Groote 1340-1384) en Thomas à Kempis (ca. 1379-1471). Groote wist
wel met Ockhams mes om te gaan en was daarmee een echte nominalist:
begrippen waren volgens hem afgeleide zaken, het waren namen waarmee
bepaalde regelmatig terugkerende zaken uit onze ervaringen ordenen.
Met goddelijke metafysica had het allemaal weinig te maken. A Kempis,
een Zwollenaar, predikte dat men Jezus in woord en daad moet imiteren.
Hij bracht een enorme bestseller op de markt: Imitatio Christi
(De navolging van Christus). Het kent tot de dag van vandaag werelwijd
een grote schare lezers die zich aangetrokken tot Kempis' pleidooi voor
humilitas (nederigheid) en simplicitas (eenvoud). Ook
oproep van de Moderne Devoten om te vluchten uit het drukke stadsleven
blijft zoete koek voor zoekende zielen.(190) 
Een van de jonge denkers die opgroeide in de armenscholen van de moderne
devoten in Deventer was filosoof, wiskundige en geestelijke Nicolaus
van Kues oftewel Cusanus (1401-1464). Hij maakte carrière in de kerk
en trok regelmatig door Nederland om kloosters te visiteren. Zoals God
alle tegenstellingen in zich opnam en verenigde, zo moest de kerk volgens
Cusanus omgaan met de verschillende religieuze groeperingen. Om het
goede klimaat daarvoor te creëren was gematigdheid nodig. Cusanus schreef
daarom een boek met de veelzeggende titel De docta ignorantia
(Over de geleerde onwetendheid). De mens heeft alleen vooronderstellingen
en hypothesen, stelt Cusanus in navolging van Socrates (469-399 V.Chr.).
De waarheid ligt buiten ons bereik, maar voegt Cusanus er optimistisch
aan toe, we kunnen de waarheid wel degelijk steeds beter benaderen.
In Cusanus' gezelschap bevond zich ook Dionysius de Karthuizer uit Ryckel
(1402-1471), een vriend van Philips van Bourgondië en Karel de Stoute.
In zijn jeugd was Dionysius nog aanhanger van Thomas van Aquino, maar
kreeg gaandeweg meer oog voor de optimistisch sceptische leer van Cusanus.
Terug naar het begin
of door naar de Renaissance.
|