|
Filosofie
in de Oudheid.
Van Caesar tot de vroege
Middeleeuwen (57-678)
©
Erno Eskens
Nederland en Vlaanderen verkeerden tot het begin
van de jaartelling in de prehistorie. Daarom begint ons verhaal rond
50 voor Christus, wanneer Julius Caesar de naam 'Belgica' voor het eerst
noemt in zijn De Bello Gallico. Caesar meldt dat Germanen,
die de Lage Landen op dat moment bewonen, de zon, de maan en het vuur
aanbidden. De germaanse filosofie, voor zover je daar van kunt spreken,
verdween onder invloed van de Romeinen. De aanbidding van de planeten
en de plattelandsgoden week voor een stadse, en van oorsprong Griekse
variant van het meergodendom. Her en der verschenen aan Griekse-Romeinse
Goden gewijde tempels en het schrift werd ingevoerd. De filosofie van
de Romeinen lijkt die eerste eeuwen na Christus nauwelijks te zijn doorgedrongen
in de Lage Landen. Pas rond 300 veranderde dat met de komst van een
andere, van oorsprong Israėlische stadsreligie die de sporen van de
Griekse filosofische in zich droeg: het christendom. De christelijke
cultus met zijn kerkelijke hiėrarchie veroverde langzaam terrein. Eerst
werd het zuiden bekeerd. Het noorden bleek moeilijk te bereiken voor
de eerste bisschoppen. In zijn Cosmographia meldde de Romeinse
kerkvader Hiėronymus (345-420) dat het haast ondoenlijk was om de barbaren
in het ondoordringbaar moeras annex oerwoud te bekeren.(172)
De in 384 gestorven bisschop Servatius
van Maastricht bekeerde delen van de zuidelijke Nederlanden. Er vormden
zich kleine christelijke gemeenschappen in de steden, die het aanvankelijk
niet makkelijk hadden. 
In 313 vaardigde de Romeinse keizer Constantinus,
Constantijn de Grote, een wet uit die christenen in zijn enorme rijk
bescherming bood tegen vervolging. Toen dat gebeurde, vielen de Nederlanden
echter formeel al niet meer onder het Romeinse gezag. Met het verval
van het West-Romeinse rijk zakte noordelijk Europa terug in de prehistorie.
Hunnen en Vandalen vielen Europa binnen en vaagden de prille Grieks-Romeinse
beschaving vrijwel volledig van de landkaart. De meeste bibliotheken
gingen verloren. De culturele bovenlaag van de samenleving werd gedecimeerd.
De kerk, tot dat moment een redelijk open organisatie, probeerde haar
levensvisie te beschermen tegen de nieuwe machthebbers door strikte
richtlijnen op te stellen waar de gelovigen naar moesten leven. Aurelius
Augustinus (354-430) zette de eerste kerkelijke principes op papier
die door toedoen van steeds strengere pausen tot ware dogmas konden
uitgroeiden. Lang niet alle inwoners van het Europese continent waren
gelukkig met die ontwikkeling. Een deel van de intelligentia ontvluchtte
de chaos van de volksverhuizingen. Men trok naar Ierland, waar minder
reden was tot dogmatisme en waar de bibliotheken gespaard bleven.(169)
Terug naar
het begin
Door naar de Middeleeuwen
|