Geschiedenis
van de filosofie in de Lage Landen
De
Renaissance
( 1453-1637)
©
Erno Eskens
'Zeer velen maken ook aanspraak
op die woordenrijke en zinloos kabaal makende vakken die bij ons
voor de kunsten doorgaan. Zij brengen hun dagen door met disputaties
en uiten verwarde orakeltaal, of nog juister, ze bespreken raadsels
die al zoveel eeuwen geen Oedipus vonden die ze kan oplossen, en
deze ook nooit zullen vinden. Dat schrijft de in Baflo geboren
Rudolphus Agricola op 7 juni 1484. Ik ben van mening dat je
de feiten zelf moet bestuderen. Je moet de ligging en de kenmerken
van de werelddelen, de zeeën, bergen en rivieren bestuderen, je
moet onderzoek doen naar de zeden, de woonplaatsen en de leefomstandigheden
van de volkeren op aarde...'(82)
Met Rudolphus Agricola (1444-1485) brak een nieuwe, frisse tijd
aan in de Nederlanden: de Renaissance. De op Aristoteles geënte
scholastiek ging op de helling, de vlucht in het persoonlijke leven
werd afgezworen en men kreeg voor eerst oog voor wat wij nu wetenschappelijk
onderzoek noemen. Het buskruit en het kompas deden hun intrede,
wat grootse zee-expedities mogelijk maakte. Geleerden reisden mee
op de handelsschepen en ook op land brak het wetenschappelijk toerisme
door. Petrarca (1304-1374), de eerste toerist, reisde al dichtend
en denkend door Europa en Agricola trok naar Pavia in Italië. Daar
waren de moderne natuurwetenschappen sterk in opkomst. Vooral de
komst van geleerden uit het vroegere Oost-Romeinse Rijk, dat in
1453 was gevallen, stuwde Italië op in de vaart der volkeren. De
natuur, die men tijdens de scholastiek bij voorkeur via boeken leerde
kennen, werd in de Renaissance voor het eerst een zelfstandig object
van onderzoek. De astronomie, geneeskunde en geografie bloeiden
op, maar de nieuwe wetenschappers konden niet langer uit de voeten
met de gangbare logica. Aristoteles stelde dat iets ofwel waar,
ofwel onwaar is. Dat klonk logisch, maar in de natuurwetenschappen
bleek zelden iets waar of onwaar te zijn. Men had eerder te maken
met waarschijnlijkheden en onwaarschijnlijkheden. Men zocht nieuwe
criteria om de waarheid te vinden.
Agricola vond een oplossing. Volgens hem begrijpen wij de dingen
om ons heen vooral door ze met elkaar te vergelijken. Nu kun je
niet alles klakkeloos met elkaar vergelijken. Je kunt alleen zaken
vergelijken als ze bepaalde overeenkomsten hebben. Die punten van
overeenkomst zijn talrijk, en je kunt ze ordenen naar categorie.
Zo stuit men op een aantal logische gemeenplaatsen, oftewel 'de
gemeenschappelijke punten die op alles toepasbaar zijn'. Agricola
vond enige tientallen van dergelijke 'loci', waaronder definitie,
soort, geheel, deel, oorzaak en gevolg.
Terwijl de ontwikkeling van de filosofie in een stroomversnelling
raakte, rommelde het binnen de universiteiten. Ook de patristieke
opdeling van de universiteit in zeven artes voldeed niet langer.
De natuurwetenschappen pasten niet in het eeuwenoude schema. In
Italië waren mensen als Petrarca, Ficino (1433-1498), Lorenzo Valla
(1407-1457) en Pico della Mirandola (1463-1494) op zoek naar een
nieuwe indeling en een nieuwe levenshouding. De door Augustinus
bedacht orde moest op de helling. Onder invloed van de Oost-Romeinse
filosofen herontdekte men het werk van voorchristelijke denkers
als Plato en Plotinus. Ook de Lage Landen begon men te verlangen
naar een hergeboorte van de Oudheid, oftewel een Renaissance.
De Nederlandse Renaissance begon in de IJsselvallei, waar de Moderne
Devotie al met de scholastiek had gebroken. Rudolphus Agricola heeft
als eerste een vleugje van de betere literatuur uit Italië meegebracht,
constateerde de in Rotterdam geboren Desiderius Erasmus (1466-1536),
de beroemdste denker uit deze tijd. En geheel in lijn met Agricola
concludeerde Erasmus dat alles ons door de heidenen is overgeleverd.(7))
Een beetje pathetisch voegde hij eraan toe: O Socrates, bidt
voor ons.(34) (143)
Wessel Gansfort, Johannes Murmellius
en Alardus van Amsterdam kwam het ideaal van een humanisme (een
mensgerichte filosofie) op. Dat voorchristelijke ideaal - het greep
terug op Romeinen als Seneca en Marcus Aurelius - staken zij in
een christelijke jasje. De 'mens' waaraan zij als humanisten hun
naam ontleenden, was geheel geschapen naar Gods evenbeeld. Op de
manier braken zij niet met het kerkelijk gezag, maar gaven zij toch
een totaal nieuwe draai aan het christendom. Vroomheid was voortaan
niet alleen bidden tot God, maar ook uit tolerantie voor de medemens
die immers naar de beeltenis van God was geschapen. Maar intussen
verschoof de aandacht wel van God naar mens.
De mens was een sociaal wezen, wisten de humanisten. Zelf waren
ze daar een goed voorbeeld van. Ze reisden door heel Europa om elkaar
op te zoeken. Uit hun internationale contacten ontstond een Europese
gemeenschap van geleerden: de zogenaamde Republiek der Letteren.
Leden van de Republiek schreven elkaar brieven, wisselden boeken
uit en hielden elkaar op de hoogte van de laatste ontdekkingen.
Overal gaf men eenzelfde boodschap af: vooruitgang in Europa was
alleen mogelijk als de machthebbers wat minder barbaars te werk
zou gaan en de wetenschap zich vrij kon ontwikkelen. Dogma en de
willekeur moesten op de helling. Men kon zich maar beter richten
op de gezamenlijke taal, het Latijn, op de serieuze bijbelstudie,
filosofie en wetenschap. Onderwijs werd van cruciaal belang geacht,
maar van het oeverloze denken in allerlei dispuutjes, quaestios,
en subdistincties, moesten de humanisten niets van hebben. Met de
verschuiving van God naar mens, werd ook de belangstelling voor
de menselijk geest groter.
Van de hand van Juan Luis Vivès (ca. 1492-1540),
een Spaanse humanist die woonde in Brugge, verscheen in 1538 de
eerste psychologische verhandeling: De anima et vita. In
zijn woonplaats maakte Vivès onder meer studie van de lach, een
onderwerp dat in de Middeleeuwen nauwelijks ter sprake kwam in de
serieuze literatuur. De lach stond op gespannen voet met de religieuze
ernst, vonden de Middeleeuwers. Vivès, maar ook zijn oude studiegenoot
Erasmus, vond de lach interessant omdat
het zo typisch menselijk was en bovendien ook nog iets te maken
leek te hebben met menselijk geluk. Als ik een eerste of tweede
hap neem na een lange vastentijd, kan ik mijn lachen niet bedwingen,
schreef Vivès. Hij had er nog een hekel aan. Deze lach was - hoe
gelukzalig ook - totaal oncontroleerbaar en dus onredelijk. Maar
er was ook een oprechte en beheersbare vorm van lachen mogelijk.
Die lach werd niet voortgebracht door het schokkende lichaam, maar
door de psyche: het was de uiting van echte vreugde. De Leuvense
hoogleraar Adriaan van Baerland, oftewel Barlandus (1486-1538) zag
er wel wat in. Hij legde een beschaafde moppencollectie aan, in
het Latijn, om zijn studenten op prettige wijze de fijne kneepjes
der grammatica te leren.
Ook Erasmus verpakte zijn boodschap in
humor. Zijn Lof der zotheid gaat over de goede kanten van
de schone schijn. Jawel, de goede kanten. Het is goed dat wij ons
verschuilen achter bezit, uiterlijk, mooie woorden. Deze cultuuruitingen
maken onze samenlevingen tot een groot bal masqué en dat is prachtig.
Want denk je eens in dat die mooie dingen er niet zouden zijn.(130)
De Duitse predikant Maarten Luther (1483-1546) wilde niet mee doen
aan Erasmus grote bal masqué. Erasmus wilde allerlei nieuwe
geloofsrichtingen verzoenen in de katholieke kerk. Die kerk moest
mild, gematigd, oprecht en vredelievend worden. Maar de altijd serieuze
Luther weigerde zijn geloof vergezeld te laten gaan met een klein
glimlachje. De bijbel moest serieus worden gelezen. Daar stond het
allemaal in. Erasmus deed nog een poging om Luther te overtuigen
van zijn vrolijke gelijk, maar vergeefs. De briefwisseling tussen
de beide geleerden kreeg een onvriendelijke ondertoon. Vooral het
al dan niet bestaan van de vrije wil was een heikele kwestie. Volgens
Erasmus zorgde die vrije ervoor dat de mens verantwoordelijk was
voor zijn daden, maar Luther stelde eenvoudig dat alles, zoals Augustinus
al had beschreven, in de handen van God lag. In 1525 was Luther
zover dat hij een boek tegen Erasmus publiceerde. Zijn conclusie:
Erasmus verpletteren is de vinger leggen op een wandluis,
die dood nog meer stinkt dan levend. Erasmus reageerde met
gepaste ironie: Ik ben bereid te sterven voor Christus als
hij mij daartoe de kracht geeft, maar sterven voor Luther doe ik
niet.(26) De strijd tussen Luther en Rome liep,
Erasmus' bemiddelingspogingen ten spijt, volledig uit de hand. Protestanten
besloten de kerken te plunderen. De beeldenstorm was een feit. De
Haarlemse denker Dirck Volckertsz Coornhert (1522-1590), zelf niet
eens katholiek, vond al dat geweld zo ridicuul dat hij besloot de
kostbaarheden uit de Grote Kerk van Haarlem te redden door ze tijdelijk
in zijn eigen huis te verbergen. Maar Coornhert was een uitzondering
en de meeste kerkelijke interieurs gingen aan diggelen.(7)
Een verbolgen Roomse moederkerk reageerde in 1550 met
de contrareformatie: de touwtjes werden aangehaald, banvloeken uitgesproken
en brandstapels opgestookt. De Roomse reactie trof ook het heidens
geachte humanisme, met name in de zuidelijke Nederlanden. Het land
werd opnieuw onder het juk van de dogmas gebracht, reden voor
veel Vlaamse denkers om hun heil in het protestantse Noorden te
zoeken. Onder hen bevond zich de protestantse theoloog en filosoof
Justus Lipsius (1547-1606), een van s heres meest vreemde
kostgangers. Hij nam het op voor de vervolging en schreef een lofzang
op de standvastigheid, onder meer in zake het martelen. Met Coornhert,
die tolerantie predikte, kreeg hij grote ruzie. 'Aan de theologen
zou men misschien beter zwijgend voorbij kunnen gaan om maar niet
met zon kruidje-roer-me-niet in aanraking te komen,
waarschuwde Erasmus al, maar het grote kerkscheuren - sinds die
tijd een geliefde hobby van Nederlandse theologen - was begonnen.
Nog nauwelijks hadden de protestanten zich vrijgevochten uit de
katholieke kerk, of er brak grootse ruzie uit in eigen kamp. Over
de heg van hun naast elkaar gelegen tuintjes maakten de Leidse theologen
Jacobus Arminius (-1609) en Franciscus Gomarus (1563-1641) elkaar
uit voor rotte vis. Arminius was een man die ooit de opdracht had
aanvaard om de standpunten van Coornhert te weerleggen, maar bij
bestudering van zijn vermeende vijand werd hij gegrepen door diens
tolerantie-ideaal.(226) Gomarus kon het woord tolerantie
niet uit zijn mond krijgen. De ruzie spitste zich ook nu weer toe
op de vraag of de mens een vrije wil heeft, of dat het lot van de
mens vooraf bestemd is (predestinatie). 'Ik heb enige moeite om
dit uit te leggen aan de lezers,' vertelt Comte de Mirabeau in zijn
boek over Holland, 'misschien begrijp ik het zelf nog niet eens
hoe alle ondoordringbare theologische diepten steunen op de doctrine
van de voorbeschikking en de genade, die eeuwige tweedracht zaaiende
appel van de christenen. En vooral tussen de gomaristen de arminianen.
"God heeft niemand via een eeuwig en onveranderlijk decreet
uitgesloten van de genade." Dat is de belangrijkste stelling
in de arminiaanse gedachtewereld. Franciscus Gomarus, hoogleraar
aan de universiteit van Leiden, verzette zich er tegen een flinke
portie intolerantie. Daartoe was hij, naar hijzelf zei, aangezet
door de groots mogelijk zuivere liefde voor het opperwezen en door
de wens om anderen ook tot die zuivere liefde aan te zetten.'(226)
Gomarus had verreweg de meeste aanhangers in de Nederlanden en veel
filosofischer ingestelde armenianen, zoals de Leids-Amsterdamse
filosoof Gerardus Vossius (1577-1649), vreesden daarom met recht
voor vervolging.(30) Hugo de Groot (1583-1645), een van
de uitvinders van het internationaal recht en politicus in de Staten
van Holland, probeerde de boel te sussen. Hij stelde een wetstekst
op die remonstrantie heette. De wet bood de armenianen
bescherming tegen vervolging en de armenianen waren daar zo blij
mee dat voortaan als remonstranten door het leven gingen.
Maar de Gomaristen, ookwel contraremonstranten genaamd, waren ontevreden.
Door toedoen van Hugo de Groot was hen het recht op vrije vergadering
ontnomen.(30) Prins Maurits koos partij voor de contraremonstranten
en verzamelde een groot leger om de rekkelijke arminianen een lesje
te leren. Hij pleegde in 1618 een coup, waarbij Hugo de Groot in
het Haagse gevang belandde. Hij had geluk. Omdat hij zo hoog in
aanzien stond mocht hij het hoofd behouden. Na een kort proces versleepte
men hem naar Slot Loevestein, ondanks de tralies toch een aardig
onderkomen met wat torens, flesjes wijn, zijn geliefde vrouw en
dienstbode en een regelmatig ververste collectie boeken.
Het luxe-gevangenisleven boeide De groot niet. Hij bedacht een cunning
plan en ontsnapte door zich in een boekenkist het kasteel uit
te laten voeren.(30) Terwijl Hugo de Groot het land snel
ontvluchtte leidde de coup van Maurits tot een zuivering van de
universiteiten, waar ook de Amsterdamse filosoof Caspar Barleaus
(1584-1648) mee te maken kreeg. In 1656 besloten de broers De Witt-
zij waren toen de regenten van het land - om filosofen beter te
beschermen. Filosofie en theologie moest men strikter scheiden.
Filosofen kregen het verbod zich nog langer bezig te houden met
theologische stellingen en de theologen moesten voortaan zwijgen
over de filosofie.(26) Dat was al eerder geprobeerd,
in de Middeleeuwen, en ook toen werkte het niet.
In 1648 braken de Nederlanden los van Spanje. De Vrede van Münster
garandeerde de soevereiniteit van de Republiek der Verenigde Nederlanden.
En de nieuwe republiek was protestants. Katholieken moesten de schuilkerken
in, want openlijk mochten ze hun geloof niet meer belijden. De snelle
ontwikkeling van de boekdrukkunst na 1500 leidde intussen tot een
andere, stille en onstuitbare revolutie. De Lage Landen hadden de
beste drukpersen van de wereld. Drukkers als Plantijn in Antwerpen
en Elzevier in Leiden oefenden een grote aantrekkingskracht uit
op buitenlandse geleerden. En wie niet persoonlijk kon komen, zoals
de sterrenkundige Galileo Galileï (1564-1642), die stuurde zijn
manuscripten per koerier. De uitvinding van de losse drukletter
deed geestelijke kopiisten omkijken naar een nieuwe baan. Machines
hadden hun monnikenwerk overgenomen. Alleen de allerrijkste mensen
bestelden nog wel eens handgeschreven boek in het klooster, maar
de meeste geletterden kocht de veel goedkopere, gedrukte werken.
De katholieke en protestantse kerken verloren daarmee hun greep
op het boek. Wereldse geleerden-drukkers hadden de macht en zij
brachten andere, minder vrome werken op de markt.
Terug
naar het begin
Door naar
de Verlichting