|
Geschiedenis
van de filosofie in de Lage Landen
De 20ste eeuw
©
Erno Eskens
|
1900-1940
Radicle reacties op maatschappelijke ontwikkelingen;
Gerard Heymans, Frederik van Eeden, Henk Pos, Herman Dooyeweerd,
en G.J.P.J. Bolland
|
1940-1945
Goedewaagen (Rotkar), Carp, Hessing en hun slachtoffers:
Leo Polak, Titus Brandsma, Edith Stein e.a.
|
1945-1980
Zuivering, wederopbouw, existentialisme en postmodernisme
|
Terug naar
home
of notenapparaat |
Radicale reacties (1900-1940)
De media - kranten,
telegraaf en radio - en de opkomst van de auto en trein veranderden het
leven. De massamedia en het massavervoer creëerden de massamens, die leefde
in grootse, meest stedelijke, sociale verbanden. Lang niet iedereen was
blij met deze ontwikkeling. De moderne democratische mens met zijn mechanische
wereldbeeld was ontspoord, vonden veel intellectuelen aan het begin van
de twintigste eeuw. De Eerste Wereldoorlog, die miljoenen mensen deed
sterven aan de mitrailleur en gifgas, versterkte dat beeld. Het
leven van onzen tijd geeft niet veel te zien wat idealistisch stemt,
schrijft Henk Pos (1898-1955)
in oktober 1919. Na waanzinnige krachtsinspanning in de oorlogsjaren
zien we aan alle zijden ontgoocheling. Het eenige wat nog de uitgeputte
massas in beweging brengt, is de jacht naar meer materieele welvaart,
maar de basis van alle waarachtig cultuurleven, arbeidzaamheid en trouwe
vervulling van plichten, is verlaten en verwisseld voor de onzekere maar
exciteerende successen, die door kansspel en niets ontziend egoïsme worden
geboden.
Filosofen zochten alternatieven voor het sombere bestaan en namen daarbij
volgens filosoof A.J. Sopper (1875-1960),
hun toevlucht tot philosophigheid en diepdoenerij. Zowel in
het linkse als in het rechtse kamp waren (soms naïeve) idealisten op zoek
naar een alternatief voor het geïndustrialiseerde, onpersoonlijke, verstedelijkte
leven. J.J. Poortman (1896-1970)
cultiveerde de nieuwe belangstelling voor het boeddhisme, Matthieu Schoenmaekers
(1875-1944) dreef af richting theosofie. Bij de aanvang van de twintigste
eeuw spreekt de behoefte aan religie veel krachtiger dan in het begin
der vorige. De menschheid zoekt weder haar ziel, aldus de empirist
B.H.C.K. Van der Wyck (1836-1925).(29)
Socialistische denkers stuurden
aan op een drastische koersverandering van de verdorven maatschappij.
Die samenleving was ziek, en het medicijn was te vinden in de verhevigde
vrijheidstrijd, in het marxisme, in de volkenbond, het pacifisme en de
brede volksopleiding. De invoering van het algemeen kiesrecht en het succes
van de vrouwenemancipatie waren de belangrijkste wapenfeiten van links.
Voor het eerst vonden grotere aantallen vrouwen hun weg naar de filosofie.
Wijsbegeerte voor vrouwen, sputterde de behoudende Amsterdammer
W.J. Bladergroen (1908-1983)
nog wat tegen, daar begin ik niet aan. Hij zakte weldra weg
in het grote moeras van terecht vergeten geesten, terwijl een filosofe
als Clara Wichmann (1885-1922)
en een vrijheidsstrijder als Aletta Jacobs hun plaats in de geschiedenisboeken
definitief verwierven.(119)
Filosofen Frederik van Eeden (1860-1932)
en Nico van Suchtelen (1878-1949),
beiden beter bekend als romanciers, voelden zich aangetrokken tot het
socialistische ideaal. Zij trokken, gewapend met een romantisch-socialistische
terug-naar de-natuurfilosofie, naar het platteland van Bussum. Daar stichtten
zij de kolonie Walden, een alternatieve agrarische leefgemeenschap. Samen
met Aletta Jacobs, Nico van Suchtelen en de Groningse filosoof Gerard
Heymans riep Van Eeden bovendien De Europeesche Statenbond in het leven,
een comité dat pamfletten publiceerde en stelde dat de verhouding
der beschaafde staten onderling door dezelfde wetten van zedelijkheid
en recht beheerscht behooren te worden als het maatschappelijk leven der
naties afzonderlijk.(178)
Internationaal was Van Eeden actief in de Forte-kring, een debatclub waar
ook Waldenbewoner Henri Borel (1869-1933)
en de Duitse denker Martin Buber (1878-1965)
in zaten.(180)
Op de heide rond Amersfoort was Van Eeden in 1916 betrokken bij de oprichting
van de Internationale school voor Wijsbegeerte, waar zweverige religie
en gedegen filosofie hand in hand gingen met socialisme en romantische
natuurgevoel.
Van Eeden was uitstekend op de hoogte van de laatste ontwikkeingen in
de filosofie. In 1925 verscheen zijn Redekunstige grondslag van verstandhouding,
het eerste filosofieboek in Nederland waarin de zogenaamde linguistic
turn is terug te vinden. In Engeland was belangstelling ontstaan voor
de manier waarop taal ons denken structureert Van Eeden had er over gehoord
via een zekere Lady Welby. Zij stelde dat in die taal veel verstand en
misverstand zat opgesloten en dat het de kunst was het om de twee goed
te scheiden. Van Eeden wierp zich op het onderzoek naar de betekenis van
woorden en zinnen en schaarde een groep mensen, de zogenaamde 'significi
om zich heen. De significi hielden zich bezig met systematisch onderzoek
naar de wilsinhoud, de gevoelsinhoud en de voorstellingsinhoud van algemene
en biezondere taaldaden, aldus Gerrit Mannoury (1867-1956),
een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de stroming. Hij beschrijft
de significi als de douane die aan het grensstation gestationeerd
is om op te passen dat er geen misverstanden of Scheinprobleme worden
binnengesmokkeld.(180)
Rechtsfilosoof Jacob Israël de Haan (1881-1924)
behoorde met zijn motto Betere taal is beter recht tot de
club, net als de internationaal gerennomeerde wiskundige en logicus L.E.J.
Brouwer (1881-1966).(18)
Dat was, concludeerde Edmund Husserl na een bezoek, 'eines völlig originellen,
radical aufrichtigen, echten, ganz modernen mensch.'(192)
Hij werkte aan een logica waarin iets tegelijkertijd waar
en niet waar kon zijn. Deze intuïtionistische logica, brak
met het door Aristoteles bedachte non-contradictieprincipe en het eeuwenoude
tertium non datur (er is geen derde optie naast waar of onwaar).
Hij zette de Engelse filosoof Ludwig Wittgenstein (1889-1951)
op het spoor van de nieuwe taalfilosofie.
In Groningen probeerde de socialist Gerard
Heymans (1857-1930)
de kloof tussen de speculatieve wijsbegeerte en de natuurwetenschappen
te overbruggen. Hij bedreef filosofie in een heus laboratorium, waar hij
aanvankelijk de menselijk geest op natuurwetenschappelijke wijze probeerde
te onderzoeken. Maar hij had zijn twijfels bij deze methode met zijn object-subjectscheiding.
In de natuurwetenschappen zet je een voorwerp voor je neer om er eens
goed naar te gaan kijken. Zoiets werkt niet als je het bewustzijn wilt
werkt bestuderen, volgens Heymans. De geest leren we niet kennen via de
waarneming, maar van binnenuit.(109)
Wie stelt dat het bewustzijn een fysisch proces is dat objectief bestudeerbaar
is, zoals Jacob - 'Kein gedanke ohne Phosphor' - Moleschott deed,
deelt zijn geest op in een subject en een object. Zo iemand bekijkt zijn
denken vanuit een buitenstaandersperspectief en begaat daarmee een denkfout.
Alles wat we weten van het lichaam, kennen we immers via het bewustzijn.
Het bewustzijn gaat dus aan de werkelijkheid vooraf. De stelling maakte
Heymans op slag beroemd. De Amerikaanse pragmatist William James (1842-1910)
kreeg er lucht van. The book that has interested me most this summer
has been Heymans Einleitung in die Metaphysik (I think that
is the title), schrijft hij in een brief aan zijn Zwitserse collega
Theodore Flournoy. I dare say you will agree with me in considering
it a masterpiece of clear composition.(159)
In het christelijke
kamp werd Thomas van Aquino herontdekt door de katholieken. Intussen ontwikkelden
protestanten een volledig nieuw denksysteem. Tijdens een wandeling in
de Haagse duinen kreeg jurist Herman Dooyeweerd (1894-1977)
een inval. Hij besefte plotseling dat de wetenschap, in tegenstelling
tot wat Hegel had beweerd, zich niet volgens dialectische wetmatigheid
van these, antithese en synthese ontwikkelt. Er is sowieso geen eenduidige
ontwikkeling omdat er in de wetenschap meerdere disciplines of kringen
bestaan die ieder hun eigen wetmatigheden hebben. Hij werkte dit idee
uit tot een wijsbegeerte der wetsidee. De opdeling in wetskringen
met hun eigen logica was voor Dooyeweerd en zijn zwager D.H.Th. Vollenhoven
(1892-1978)
een ideale manier om de revolutionaire geest van de links-hegelianen wat
te temperen. De wereld moest verbeterd worden, maar dan wel via de geleidelijkheid
en op pluriforme wijze; via de wetten die in de eigen wetskring leefden.(47)
In het rechts-hegeliaanse
kamp constateerde de Leidse hoogleraar G.J.P.J. Bolland (1854-1922),
het erudiete en ietwat scheel kijkende boegbeeld van deze stroming, dat
de samenleving goed ziek was. De kerk zat vol met roomse oplichters en
de academies hadden de filosofie in het verdomhoekje geduwd. Het filosofisch
getinte, algemeen vormende propedeuse was verdwenen met de invoering van
de Hoger-onderwijswet van 1876. De filosofie was onttroond als koningin
der wetenschappen en werd, in de woorden van G.J..P.J. Bolland onbekend
en onbemind, weggeborgen in het uiterste hoekjen der atomistisch uiteengevallene
universitas. Men kon voortaan vakspecialist worden zonder
ooit een vakje filosofie te hebben gevolgd, sterker nog, men kon hoogleraar
worden in een vak, zonder dat men van de algemeene philosophia
iets anders heeft dan wanbegrippen.(168)
De Utrechtse empirist Cornelis Opzoomer (1821-1892)
had de onderwijshervormingen aanvankelijk toegejuicht. Filosofie was zo
elementair, meende hij, dat de studenten vanzelf wel zouden komen. Maar
ook hij moest constateren dat de collegebanken leeg bleven.(193)
Bolland probeerde met Hegels Phenomenologie des Geistes in de hand
de harmonie, eenheid en synthese teweeg te brengen. Hegels idee dat tegenstellingen
in een synthese konden worden opgeheven, leek harder nodig
dan ooit. Dit synthesemodel sloot bovendien aan bij de manier waarop Laaglanders
al eeuwen omgingen met religieuze, etnische en filosofische tegenstellingen.
Bolland combineerde dit met een romantische opvatting van de staat als
organisme. Hij wees op het belang van de organische samenhang eens
volks.
Die vergelijking tussen organisme en staat werd na 1933 door fascisten
gebruikt om de assimilatie van het individu in de eenheid van het volk
aan te prijzen. Bolland zelf publiceerde al in 1922 De Teekenen des
tijds, een virulent anti-semitisch geschrift waar de rechtervleugel
van zijn aanhang over het algemeen weinig moeite mee had. J. Flentge volgde
in 1940 met de opmerking dat het communisme met zijn abstracties
van het intellectualisme de simpele arbeid degradeerde tot minderwaardig
werk. Daardoor zou het aanzetten tot onenigheid en strijd, terwijl dit
nergens voor nodig was. Het kapitalisme kon namelijk beter bestreden worden
door juist de nationale eenheid te versterken. Het nationaal-socialisme
beseft, dat de overheersende macht van het kapitalisme slechts "gebroken"
kan worden door den georganiseerden arbeid, maar dan ook door een organisatie
welke wortelt in en gevoed wordt door den volksgeest. Een dergelijke organisatie
is de uiteindelijke vorm van een levend organisme.(95)
|