Bayles Dictionaire Geschiedenis van de filosofie in de Lage Landen
De vroege Verlichting (1637-1720)

'De tijden zijn veranderd’, schreef de Franse filosoof Pierre Bayle (1647-1706) in zijn te Rotterdam vervaardigde Dictionnaire. ‘Mensen die zich van hun perfecte kennis van de mythologie, de Griekse dichters en de scholastici bedienen om moeilijke passages, een historisch feit of een geografische, grammaticale of genrekwestie begrijpelijk te maken of te verklaren, tellen niet meer mee. Meerdere al dan niet terecht als "grote geesten" aangemerkte personen veroordelen nu het citeren van Griekse schrijvers en het maken erudiete opmerkingen als professorenwijsheid of pedanterie.’ Bayle juichte een nieuwe tijd toe. Geen klakkeloos geloof meer in de klassieken, maar kritisch onderzoek naar allerlei overgeleverde vooroordelen. ‘We leven in een filosofisch tijdperk waarin alles zoveel mogelijk wordt verklaard met natuurlijke oorzaken. Mij bevalt die methode wel.’(152) Er was inderdaad een nieuw tijdperk aangebroken. De Duitsers spraken van Aufklärung, de Fransen van een Siècle des lumières en de Nederlanders vertaalden dit als ‘Verlichting’. Waarschijnlijk was de term ‘opklaring’ - die ook een tijdje in zwang was - beter, omdat die term niet naar de mystieke geestestoestand riekt waarin men ‘hogere waarheden’ orakelt. Daar ging het in de Aufklärung namelijk juist niet om. Het wegtrekken van de donkere wolken vol miezerig middeleeuws bijgeloof en overgeleverde ‘wijsheden’ was aan de orde. Door het wolkendek zou het licht van de wetenschappelijke waarheid en de rationaliteit doorbreken. Als de mens maar onderzoek deed en beter zou leren na te denken... Als de mens zich maar bewust zou worden van zijn vermogens en zijn beperkingen... De eeuwenoude aanname, in de tweede eeuw voor Christus bedacht door Claudius Ptolemaeus (2e eeuw v. Chr.), dat de aarde in het middelpunt van de aarde stond, sneuvelde door de uitvinding van de telescoop. Simon Stevin (1548-1620), Hortensius (1605-1639) en Lansbergen ontdekten dat het heliocentrische wereldbeeld van Nicolaus Copernicus (1473-1543) beter klopte.(112) Naast de sterrenkijker deed ook de bril, overigens al ontdekt door de dertiende-eeuwse Engelse filosoof Roger Bacon (1212-1294), zijn intrede in de Lage Landen. Anthony van Leeuwenhoek (1634-1723) ontwierp een microscoop. Het gebied van de waarneming breidde zich daarmee uit van ver in de sterren en tot in de kleinste details. ‘Ver-groot-glas, wonderlijke vondst van onze eeuw en Holland’, riep de Leidenaar Arnout Geulincx (1625-1669) extatisch uit in zijn Van de hoofddeugden.
René Descartes in Amsterdam
In de eerste periode van de Verlichting - grofweg van 1637 tot 1725 - leefden de natuurwetenschappen en het rationele denken op. Het startsein werd gegeven door de Fransman René Descartes (1596-1650), de oervader van de Verlichting die twintig jaar in Nederland woonde. In 1637 publiceerde hij in Nederland zijn Discours de la Méthode. Het betekende een radicale breuk met de Renaissance. Descartes waagde het - en dit was voor het eerst in de westerse wereld - aan alle overgeleverde wijsheden te twijfelen: aan God, aan de wereld en zelfs aan zichzelf. Omdat hij niet kon twijfelen aan het feit dat hij twijfelde, concludeerde hij: ‘Ik denk dus ik ben’ (Cogito ergo sum). Dat ‘ik’ van Descartes was iets heel anders dan de religieus getinte ‘ziel’ waar de klassieken over spraken.
Descartes was in eerste instantie op zoek naar natuurkundige feiten over de mens. Het verhaal gaat dat hij op zijn reizen een koffer bij zich had met daarin een automaat; een robotachtige reconstructie van de mens. Feit is dat hij in de Amsterdamse Kalverstraat iedere dag vers vlees haalde bij de slager. Hij ontleedde het om te weten te komen hoe mens en dier in elkaar zaten. Zo was hij op zoek naar (de nog altijd niet volledig opgehelderde) oorzaak van de lach en onderzocht hij of bloed in een gesloten systeem door het lichaam stroomde en wat de oorzaak was van bepaalde ziekten.
Vossius & Barlaeus
Het rationalisme van Descartes maakte school. Natuurwetenschappers zagen al snel dat Descartes ontdekking van wiskundige functies en van de brekingswetten van het licht revolutionair was. En met de nieuwe wetenschap haalden zij geleidelijk en aarzelend ook het nieuwe mens- en werldbeeld van Descartes binnen. Daniël Jonctijs (1611-1654) pleitte in Rotterdam voor een meer rationele aanpak van de rechtspraak: 'De zondigen kunnen zelf door weldaden verbeterd worden, maar de verdoeming der onschuldigen kan te gene tijde, door geen middelen, hersteld worden.'

In Franeker probeerde Balthasar Bekker (1634-1698) de gangbare astrologische onzin om te zetten in rationele astronomie. Voorspellingen over het (opnieuw) naderende einde van de wereld - de kometen brachten nooit iets goeds - zette hij bij het grof vuil. Hij was niet de enige: 'Een wonder is geen wonder', luidde Simon Stevins lijfspreuk.(167)
Ook in Amsterdam, waar Vossius en Barlaeus aan de basis van de in 1632 opgerichte Illustre School stonden, was Descartes geest rond. Vooral de Amsterdamse allochtoon Baruch de Spinoza (1632-1677) had Descartes goed gelezen. Als kritisch denker onderzocht hij de werking van salpeter, het bestaan van het vacuüm en de werking van het vergrootglas. Om het zichzelf makkelijk te maken verwierp hij alle bestaande opinies over god en geloof. De bijbel was niet streng rationeel en daarom 'onzuiver, vervalst en met zichzelf in strijd'. Ook het joodse geloof waarmee hij was opgegroeid, zat volgens Spinoza boordevol onzin. Spinoza ontwikkelde een soort pantheïsme dat direct voor atheïsme werd aangezien. Het maakte hem niet geliefd. In 1656 werd hij uit de joodse gemeenschap van Amsterdam gezet, waarna hij een tijdje als lenzenslijper in Rijnsburg de kost verdiende. Zijn hoofdwerk, Ethica, kon pas na zijn dood verschijnen. Het veroorzaakte toen alsnog een enorme rel, waarbij de Spinoza-aanhangers Johannes Duijkerius (ca. 1661-1702) en Adriaan Koerbagh (1632-1669) in het gevang verdwenen. Nog eeuwen is het woord 'spinozist' een scheldwoord van de eerste orde geweest. Een van de grote bestrijders van Spinoza was de Purmerendse arts Bernardus Nieuwentijt (1654-1718), meer wetenschapper dan schrijver overigens. Hij schreef Het regt gebruik der wereltbeschouwingen, waarin hij waarschijnlijk als eerste op het Europese vasteland Newtons gravitatietheorie aan de orde stelde. Hij probeerde de nieuwe natuurkunde te herenigen met de godsdienst. Verder bedacht hij, gelijktijdig met Gottfried Wilhelm Leibniz (1646-1716), de wiskundige infinitesimaalrekening, het differentiëren en integreren.(166) Dat Leibniz uiteindelijk met de eer ging strijken, zat Nieuwetijt niet lekker.

Hugo de Groot in de gevel van de Amsterdamse Beurs van BerlageDe handel bloeide, de culturele en wetenschappelijke prestaties waren ongekend. De Gouden Eeuw was een feit. Filosoof, dichter, musicus, architect en politicus Constantijn Huygens (1596-1687), de brildragende secretaris van Prins Frederik Hendrik, introduceerde talloze Verlichtingsdenkers aan het hof in Den Haag. Hij trok op met Barlaeus, Vossius en Hugo de Groot, de grote jurist die het internationaal volkenrecht vormgaf. Het ging goed in de Republiek, maar wel mede dankzij de afschuwelijke slavernij in de koloniën. Ondeugd maakte de Nederlanden groot, concludeerde de Rotterdamse filosoof Bernard Mandeville (1670-1733): 'De Nederlanders mogen, zoals ze graag doen, hun tegenwoordige grandeur toeschrijven aan de deugdzaamheid en soberheid van hun voorouders; maar wat dat verachtelijke stukje grond in werkelijkheid zo aanzien lijk maakte onder de voornaamste mogendheden van Europa, was hun politieke wijsheid waarmee ze alles achterstelden bij handel en scheepvaart, de onbegrensde gewetensvrijheid die onder hen heerst en de onvermoeibare ijver waarmee ze altijd van de meest doe ltreffende middelen gebruik hebben gemaakt om de handel in het algemeen aan te moedigen en uit te breiden.'(151)
De handelsgeest zorgde inderdaad voor bijna 'onbegrensde gewetensvrijheid'. De kerken en de politiek maakten zich nog nauwelijks druk maakten o ver de inhoud van filosofische geschriften. Zolang God maar niet ter discussie werd gesteld, was alles in orde. Vooral de Staten van Holland voerden een tamelijk halfslachtig censuurbeleid. Meestal kwamen ze pas in actie als de kerken of de universiteiten daarom vroegen. Veel boeken kwamen op een lijst van verboden werken, maar vaak was dit niet meer dan een formaliteit. Het beleid verschilde namelijk per regio en per plaats, zodat boeken die bij op de ene plaats verboden waren, even verderop wel in de boekwinkels lagen. Voor de schrijvers gold hetzelfde. Ze moesten soms noodgedwongen verkassen, maar zelden verdwenen ze achter de tralies.(34)

Leiden groeide in korte tijd uit tot centrum van de nieuwe wetenschappen.(161) Dat gebeurde onder leiding van de Nederlanders Hermanus Boerhaave (1668-1738) en W.J. van 's-Gravesande (1688-1742). Zij combineerden de filosofie van hun oud-student René Descartes met het nieuwe Engelse denken van Francis Bacon (1561-1626) en Isaac Newton (1642-1727). Bacon had bedacht dat wetenschap uit moest gaan van inductie. Het ging er niet om stellingen af te leiden uit aannames (deductie) maar om op basis van waarnemingen goede hypothesen op te stellen (inductie). Newton ontdekte met deze methode onder meer de zwaartekracht. In Leiden verfijnde men de methode en deed men veel onderzoek. De Zweed Olaus Rudbeck, ontdekker van de lymfeklier, kwam naar de stad om anatomie te studeren. Linnaeus studeerde er plantenkunde, Voltaire (1694-1778) ging er op bezoek bij 's Gravesande en ook Denis Diderot (1713-1784) bracht een bezoekje aan de stad.(50)
John Locke
Vanaf 1685 weken veel Franse protestantse hugenoten uit naar de Noordelijke Nederlanden, omdat ze in Frankrijk hun geloof niet langer konden belijden. Engelse vluchtelingen die onder Jacobus II hun geloof niet meer mochten belijden, hadden zich in Rotterdam gevestigd. Onder de buitenlanders zaten veel denkers en drukkers. Vooral Franse refugiés richtten drukkerijen op. Een van de beroemde Fransmannen was refugié Pierre Bayle. In 1684 startte hij in Rotterdam het vermaarde maandblad Nouvelles de la Republique des Lettres, waaraan John Locke en Huygens meewerkten. Dit tijdschrift, waarschijnlijk een van de eerste bladen in Nederland, was niet alleen voor de binnenlandse markt bedoeld. Bayles Nouvelles verkochten beter in Parijs dan in Rotterdam. Fransman Henri Desbordes gaf er het eerste populair-filosofische maandblad van Bayle uit en de uit Zwitserland afkomstige Marc-Michel Rey drukte het in Amsterdam. Rey was ook de uitgever van het Parijse Journal des Sçavans en van het werk van Jean-Jacques Rousseau, Montesquieu en D'Alembert. De meeste boeken werden, net als vrijwel alle tijdschriften, naar Frankrijk gesmokkeld.(34)
Tijdschriften raakten in heel Europa in de mode. Terwijl de Franse hugenoot (gevluchte protestant) Henri Basnage de Beauval de Nouvelles voortzette onder de naam Histoire des Ouvrages des Savants, startte taalpurist Pieter Rabus (1660-1702) in 1692 een Nederlandstalig geleerdentijdschrift: De Boekzaal van Europe, later Boekzaal van de geleerde wereld, bedoeld om ‘de domme onwetendheid te overmeesteren’. Binnen enkele jaren werd het blad onder curatele van de kerk gesteld. Bladenmaker Jacob Campo Weyerman verging het beter. Hij bracht in 1720 de Rotterdamse Hermes op de markt waarin hij op luchtige toon het deïsme - de leer dat God zich uit zijn schepping had teruggetrokken - verkondigde. Toen hij naar Amsterdam verhuisde, doopte hij het blad om tot, jawel, De Amsterdamse Hermes.(20)

Door naar vervolg van de Verlichting